Hoe de bakfiets aan het rollen kwam - Vooraf

Op deze pagina's vindt u de concepttekst voor een boek over de opkomst en de ondergang van de bakfietsenraces in de Achterhoek. De teksten en pagina indeling moeten nog worden aangepast en de site moet nog worden uitgebreid met foto's.

Ontdek hoe de bakfiets aan het rollen kwam. Hoe het eigenlijk begon. Wie er met ideeën voor een bakfietsenrace rondliepen, en wie er voor het eerst het wedstrijdbakfietsen "aan de jeugd" bracht.
Iedere generatie heeft zijn eigen kenmerken en nieuwe dingen die specifiek bij die generatie horen. Zo werd het bakfietsen bij de jeugd in Zelhem een stukje van hun specifieke kenmerk. Het was iets anders. Een manier om zich te onderscheiden. Een uitdaging.

De bakfiets had zijn nut allang bewezen als vervoermiddel. Aan inhoud had je wel 2 á 3m2 tot je beschikking, En aan gewicht kon je er wel tot 200 kg op transporteren. Tel hierbij het gewicht van de bakfiets (80 tot 130 kg) en het eigen gewicht van de bestuurder, dan kom je al snel aan 400 kg of meer. Je kunt begrijpen dat zo'n transport per bakfiets zwaar is, vooral het op gang brengen, en een grote bakfiets, of grote bagage trapt natuurlijk zwaar bij tegenwind. Toch werd en wordt de bakfiets nog gebruikt als transportmiddel, o.a. op fabrieksterreinen, en in steden.
In 1975 werd de bakfiets dus herontdekt voor sport, spanning en plezier. Wat was er nu zo leuk aan om met zo'n zwaar ding rond te kachelen? Bakfietsen is gewoon loodzwaar! Zeker om dat ding op gang te brengen. En als het dan ook nog om snelheid gaat, omdat het een wedstrijd is, is het helemaal blazen! Misschien ontwikkel je een krachtexplosie na het startschot omdat je de eerste wilt zijn. Nou, de anderen willen dat ook!
Het is de kunst om voor te blijven. Overeind te blijven, want het sturen is een vak op zich. En op tijd te wisselen, al rijdende wel te verstaan. Als je de driewieler goed aan het rollen had (de snelheid kon wel oplopen tot 25 á 35 km per uur!) ging de ademhaling wel zo snel dat je er echt af moest. Dan kon de volgende zich "helemaal leeg fietsen". Ook gingen de kuiten en bovenbenen opspelen. Het spel werd ook bepaald door de bochten en het al of niet oplopen van de weg. Na iedere bocht moest je er een schepje bovenop doen. En als de weg opliep, nog iets meer. Zo leek het wel eens dat je stil kwam te staan, zeker als je ook nog eens tegenwind had. Als je dan achter een voorligger kon kruipen, dan was dat erg plezierig. Vooral als er nog een kans kwam deze voorligger voorbij te schieten na een bocht of tijdens het wisselen.
Sommige rijders hadden speciale technieken ontwikkeld om zich in de bochten overeind te houden. Dit varieerde van aan de binnenkant half naast de bakfiets hangen tot in bochten meekantelende wielen. Hoe kon je de fiets stabieler maken? Dit was weer werk en denkwerk, zodat je tussen de wedstrijden door toch nog met het bakfietsen bezig was. Of dit werk werd naar de winter verschoven. Als dan 's winters de fiets verbouwd werd, kon er in het voorjaar weer vol enthousiasme worden begonnen aan de competitie! Het enthousiasme was zodanig, dat sommige rijders zelfs hun vakantie aanpasten om toch maar zoveel mogelijk wedstrijden te kunnen rijden!

Om het spel in een paar woorden te omschrijven, kom je bij Henk Eelderink terecht die zei: "Bakfietsen is een sport met een knipoog."

1973

Voor de jeugd in Zelhem was er begin jaren ´70 niet veel te doen. ´s Zondags waren de café's vaak gesloten. Vanuit de kerk werd nog wel het een en ander georganiseerd voor de jongeren, maar voor wie niet bij een kerk was aangesloten viel er bar weinig te beleven. Zo was het de wat vrijere jeugd die zelf wat probeerde te organiseren. Een aantal jongeren in de leeftijd van 18 a 19 jaar, waaronder Gerard Kruisinga, Dick van de Berg, Henk Eelderink en Dick Uittenbogaard wilden zelf wat organiseren. 1973 was het eerste jaar dat ze een totaalprogramma hadden samengesteld, met het bakfietsen als iets aparts, iets ludieks. De bedoeling was wat sensatie, iets zeskamp-achtigs te doen. Dat lukte vrij aardig met een kruiwagenrace, een playback show, en met 7 bakfietsen die door gemeentewerken voor de race beschikbaar werden gesteld. Er reden toen ook een aantal transportfietsen mee. Een van hen reed zelfs een lantaarnpaal scheef.

Dankzij de ondersteuning van Douwe Veenstra, de toenmalig beheerder van Dennenlust, kwamen met beperkte financiële middelen de activiteiten toch van de grond. Met wat touw en wat strobalen werd het bakfietscircuit rondom Dennenlust gemarkeerd. Als jurywagen, waarin Gerard Kruisinga het eerste jaar verslaggever was, werd een overdekt kraampje gebruikt. Gestart werd er met een alarmpistool. De wedstrijd duurde vrij lang. De finale duurde 20 minuten + 2 ronden. Als de teams van de bakfiets-jongens - die in cafë het Witte Paard geronseld waren - hun rondjes reden, was er een heerlijke sfeer. Uit de luidsprekers klonk voor en tijdens de wedstrijd muziek, zodat er tegelijkertijd westrijdspanning en een ongedwongen sfeer heerste.

Doordat de bakfietsers ongetraind waren, was het totaal onvoorspelbaar waar men terechtkwam, en op welke manier dat ging. Het parcours was ook niet te overzien. Men reed van bocht tot bocht, met als gevolg onverwachte buitelingen. Voor het publiek was het vooral bij de start erg leuk, maar voor de rijders soms erg moeilijk. Na de eerste bocht werd het parcours steeds smaller, terwijl er ook nog een dikke boom stond waar je omheen moest. Deze boom was een echte sta-in-de-weg wanneer twee bakfietsen elkaar passeerden, met alle gevolgen van dien.

Het tweede jaar reed er ook een damesteam mee. Andere onderdelen waren een vetkuiven- en een imitatie-wedstrijd. De organisatoren wilden iets sensationeels, ook met het oog op het toerisme.

Al deze evenementen ontstonden uit een ongedwongen, spontane sfeer. Voor de organisatie was het een soort hobby. Deelnemers, toeschouwers en omwonenden waren erg enthousiast.

Na de wedstrijden was de prijsuitreiking  "natuurlijk" in Dennenlust. De prijzen werden beschikbaar gesteld door de Zelhemse middenstand, iets wat ze jarenlang vol zouden houden. Na de prijsuitreiking was het gezellig napraten, drinken en dansen. Hier was het waar de jeugd uit alle lagen van de bevolking elkaar weer tegenkwam en er een brug werd gelegd tussen de kerkelijke en niet-kerkelijke jeugd.